Biomimicry is inmiddels veel meer dan de natuur als inspiratiebron gebruiken. Waar kunstenaars, architecten en ontwerpers zich al eeuwenlang qua esthetiek door de natuur laten inspireren gaat biomimicry veel verder. Het biedt de kans om materialen, processen en systemen radicaal te innoveren door het toepassen van principes uit de natuur. Dat werd glashelder tijdens het boeiende bedrijfsbezoek van DMN op 9 februari aan het Awarehouse van Interface in Scherpenzeel.

Biomimicry is inmiddels veel meer dan de natuur als inspiratiebron gebruiken. Waar kunstenaars, architecten en ontwerpers zich al eeuwenlang qua esthetiek door de natuur laten inspireren gaat biomimicry veel verder. Het biedt de kans om materialen, processen en systemen radicaal te innoveren door het toepassen van principes uit de natuur. Dat werd glashelder tijdens het boeiende bedrijfsbezoek van DMN op 9 februari aan het Awarehouse van Interface in Scherpenzeel.

Interface is voor de doorsnee Nederlander vooral bekend als de producent van de (ooit) landelijk bekende Heuga tapijttegels. Inmiddels is Heuga – sinds de jaren 80 onderdeel van het Amerikaanse Interface – wereldwijd één van de belangrijkste producenten van projectmatige (grootschalige) vloerbekleding. Voor Interface is duurzaamheid geen randvoorwaarde of verkooppraatje maar de kern van de bedrijfsfilosofie met zeer concrete en ambitieuze doelstellingen. Daarbij is biomimicry een manier om deze doelstellingen te realiseren.

Na een rondleiding door de fabriek door gastvrouw Geanne van Arkel (manager duurzame ontwikkeling van Interface) met een mooie inkijk in het innovatie- en productieproces, leidde Saskia van den Muijsenberg het onderwerp biomimicry in. Saskia heeft haar sporen verdient in de wereld van corporates (zoals Shell) en is inmiddels een enthousiast en overtuigd pleitbezorger voor het gedachtengoed van biomimicry. Het gaat bij biomimicry in essentie over het begrijpen van de onderliggende principes uit de natuur, hiervan willen leren én dat inzicht vertalen in slimme(re) producten, diensten en platforms. Daarmee heeft het veel te maken met innovatie, R&D en design (thinking).

Het gaat bij biomimicry in essentie over het begrijpen van de onderliggende principes uit de natuur

Saskia onderscheidt drie factoren: vorm, proces en systemen. Bij ‘vorm’ kun je denken aan simpele, doeltreffende oplossingen die de natuur biedt voor bijvoorbeeld effectieve ventilatie, lichtgewicht constructies, of de wijze waarop je met minimale energie door middel van een spiraalvorm een grote hoeveelheid vloeistof of lucht zeer efficiënt in beweging krijgt. Anders omgaan met materialen en deze intelligent combineren, opbouwen en construeren gaat over ‘proces’. Zoals het schijnbaar simpele principe ‘werken met wat er – vanuit de natuur – nu eenmaal is’. Dit in scherpe tegenstelling tot de traditionele industriële aanpak waarbij we qua grondstoffen tot op heden ‘vooral werken met datgene dat schaars is’. Bij ‘systemen’ gaat het tenslotte over het zo slim mogelijk inrichten van de stromen rondom een product (grondstof, productie, logistiek, verpakking, etc.). Saskia illustreert dat met een zogenaamd ‘food web’: dat zorgt ervoor dat een bierbrouwerij vanuit de aanbod- en afzetzijde zo min mogelijk verspilt en er eigenlijk nauwelijks ècht afval resteert. Typisch win-win-win: goed voor de business, goed voor de natuur én goed voor de betrokken bedrijven en personen.

DMN_biomimicry-03

Saskia geeft aan dat de volgorde ‘vorm-proces-systeem’ een logische manier is om biomimicry stapsgewijs te implementeren. De interne organisatiecultuur is een essentiële succesfactor: ‘je moet met elkaar vanuit een sterk gedeelde visie en overtuiging ‘anders’ willen denken, samenwerken en ontwikkelen, alleen dan lukt het’. Modern leiderschap en ruimte voor ‘agile’ achtige (scrum) samenwerkingsvormen zijn een voorwaarde. Rapid prototyping en het durven maken van fouten om ervan te leren eveneens. Saskia sluit af met een helder argument: ‘het is allesbehalve soft of geitenwollensokkerig, het getuigd juist van ondernemerschap en zakelijk inzicht om biomimicry toe te passen: het leidt in alle opzichten tot lagere kosten, een betere reputatie en een duurzamere propositie, en zeker op de langere termijn een veel betere en sterkere concurrentiepositie, dus tel uit je winst.’

DMN_biomimicry-01Dat is een mooi bruggetje naar Geanne van Arkel die vanuit Interface laat zien hoe zo’n aanpak binnen een onderneming concreet uitpakt. Paul Hawken’s boek ‘The ecology of commerce’ was en is dé aanjager en inspiratiebron voor de omslag die Interface vanuit de USA nu wereldwijd maakt. Geanne: ‘duurzaamheid is dé strategie en voor Interface bestaat de zogenaamde tegenstelling tussen economie en ecologie eenvoudigweg niet.’ Interface hanteert een glasheldere ambitie: een minimaal verbruik van fossiele brandstoffen in 2020, met name aardolie. En dat is een uitdaging, zeker voor een industrie waarin traditioneel juist enorme hoeveelheden olie nodig zijn. De oplossing is logischerwijs innovatie die de gehele organisatie, haar processen/systemen, de producten/diensten en de supply chain raakt. ‘Een enorme investering in tijd, geld en inzet, maar dat is het dubbel en dik waard’, aldus Geanne. ‘Voor de directie is het interessant dat deze aanpak zichzelf financiert: we besparen inmiddels zoveel op energieverbruik, logistiek en de inkoop van grondstoffen dat dit de personeelskosten in een relatief duur land als bijvoorbeeld Nederland compenseert.’

Het heeft natuurlijk wel wat voeten in de aarde gehad, geeft ook Geanne toe. ‘Je doet dit niet even tussendoor als los project, het gaat echt om de lange adem, het uithoudingsvermogen en het mee krijgen van alle stakeholders, leveranciers en partners’. Veel slimme oplossingen komen vanuit de principes van biomimicry. De kunst is om nieuwe ‘inclusive’ dwarsverbanden te ontdekken, ook tussen sectoren onderling. Zo is het recyclen van oude producten de basis geworden voor nieuwe producten van Interface: van oude visnetten uit de Filipijnen naar de onderlaag van een tapijttegel. Of van een in eerste instantie mislukte innovatie voor Carglass naar een biobased coating van tapijtvezels. De impact van dit soort ‘omdenken’ is in potentie groot. Het gaat immers over veranderingen in de waardeketen. Wat doe je met jouw afvalleverancier als de ‘ouderwetse’ afvalstroom praktisch verdwijnt? En wat betekent het voor het eigen verdienmodel als door beter onderhoud je producten veel en veel langer mee gaan?

Geanne sluit af met een aantal learnings vanuit de ervaringen bij Interface. Wie biomimicry in wil zetten en de sprong wil maken naar circulair ondernemen en inclusive design moet om te beginnen gebruikmaken van een sterke visie, leiderschap en een directie die overtuigd is van deze aanpak. Je moet open staan voor wat er met de eigen ‘vertical’ (supply chain) en tussen de verticals (dwarsverbanden) zoal aan kruisbestuiving mogelijk is. Financiering voor dit soort radicale innovatie is ook een aandachtspunt: hoe beargumenteer je dit, hoe maak je het ‘accountable’ en hoe krijg je de investeringen gedaan? En tenslotte: heb continu veel tijd en aandacht voor de interne cultuur: daar moet het tenslotte gebeuren.

Afsluiter Hans Erdmann (partner van bureau Claessens Edmann) neemt daar het stokje over. Als architect en ontwerper is hij samen met Geanne verantwoordelijk voor de totstandkoming van het ‘Awarehouse’, het design- en innovatielab van Interface. Lètterlijk een voorbeeld van alles wat eerder in de avond aan bod kwam: een oud, afgeschreven bedrijfsgebouw kreeg een tweede, succesvol leven. En is nu metafoor en aanjager van het ‘andere ondernemen’ binnen Interface in Scherpenzeel. Het combineert en faciliteert allerlei functies. ‘Slopen was de meest logische optie maar juist door ‘om te denken’ ontstonden er nieuwe mogelijkheden: door sterk te visualiseren en de voordelen ook financieel concreet te maken kregen we het MT mee’, aldus Hans. Volgens hem is het mooiste dat het Awarehouse niet alleen een showroom is en een mooie plek is om externe relaties te ontvangen, maar ook gebruikt wordt om alle werknemers – uit de productie, uit design, R&D en innovatie en uit het management – met elkaar en met ‘anders samenwerken’ op een natuurlijke manier in contact te brengen.

Met dank aan: Geanne van Arkel en Rob Boogaard voor hun inspiratie en gastvrijheid!
Verslag en foto’s: Pieter Aarts (DMN)